Logo Rijksoverheid - Ministerie van Financiën

Rijksbegrotingsvoorschriften 2017

Financiele instrumenten

  1. Bij het indelen van de uitgaven naar financieel instrument wordt aansluiting gezocht bij de rol en verantwoordelijkheid van de minister. Hierdoor wordt de wijze waarop de uitgaven het ministerie verlaten leidend voor de indeling naar financiële instrumenten.

  2. Wanneer bij het opstellen van de begroting nog niet duidelijk of de uitgaven via bijvoorbeeld een opdrachtverstrekking dan wel een subsidieverstrekking zullen lopen, zal toch een duidelijke keuze gemaakt moeten worden. Een te hanteren richtlijn hierbij is om het gehele bedrag te plaatsen onder de categorie waar over het algemeen de meeste uitgaven op drukken, mede gelet op voorgaande jaren.

  3. De te onderscheiden financiële instrumenten zijn (limitatief):

 
  • subsidies(regelingen);

  • leningen;

  • garanties;

  • bekostiging;

  • inkomensoverdrachten;

  • opdrachten;

  • bijdrage aan agentschappen;

  • bijdrage aan ZBO’s/RWT’s;

  • bijdragen aan medeoverheden;

  • bijdrage aan (inter-)nationale organisaties;

  • bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken;

  • bijdragen aan sociale fondsen.

 
  1. Subsidies: De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten (Awb, artikel 4.21).

  2. De uitgaven voor leningen worden eventueel onder de categorie subsidies opgenomen. Vaak hebben die contracten door de ‘zachte” voorwaarden (lagere dan marktrente, kwijtscheldingsclausules, e.d.) die eraan zijn verbonden, het karakter van een subsidie; de vormgeving is dan meestal publiekrechtelijk (subsidiebeschikking). De uitgaven voor leningen worden als apart instrument opgenomen, indien hiermee het inzicht wordt vergroot.

  3. Garanties: de kasuitgave die voortkomt uit een voorwaardelijke financiële verplichting aan een wederpartij. De verplichting komt tot betaling omdat een situatie is ontstaan, waarvoor de oorspronkelijke garantieverplichting was aangegaan. Indien het de verwachting is dat uitstaande garantieverplichtingen tot betaling zullen komen, wordt het financieel instrument garanties als aparte categorie onder de kasuitgaven opgenomen.

  4. Bekostiging: financiële overdracht voor beleidsuitvoering aan instellingen, voor zover niet vallend onder opdrachten en subsidies. Het betreft hier vooral overdrachten aan wetenschappelijke en/of onderwijsinstellingen voor onderwijs en/of onderzoek.

  5. Inkomensoverdracht: het overdragen van financiële middelen aan een individu en/of huishouden zonder daarvoor een directe tegenprestatie te verlangen en met het oogmerk de wederpartij te ondersteunen in de bekostiging van zijn lopende uitgaven. In het algemeen vindt de overdracht plaats in de vorm van een uitkering of bijdrage van de overheid.

  6. Opdracht: Directe bestedingen aan derden voor de inkoop van diverse goederen en diensten (communicatie, voorlichting, projecten, infrastructuur e.d.) ten behoeve van het beleid. Bij een opdracht is sprake van een concreet eindproduct/resultaat (uitbesteding). Over het algemeen zijn dit de opdrachten voor zover deze niet vallen onder externe inhuur (zie Bijlage externe inhuur).

  7. Bijdrage aan agentschappen: Het financiële instrument “Bijdrage aan een agentschap” op een programma artikel is bedoeld voor dekking van het apparaat van een agentschap en bestaat uit: de eigenaarsbijdragen van het moederdepartement en de uitvoeringskosten van de opdrachtgever aan een Agentschap. Programmageld zoals bedragen benodigd voor bijv. subsidieregelingen worden onder ‘subsidie’ gepresenteerd in de tabel budgettaire gevolgen van beleid en niet onder de bijdrage Agentschap. Als de minister ze laat uitvoeren door een andere partij, wordt deze bij de subsidieregeling in de tabel vermeld.

  8. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s: De totale financiële bijdrage (programma en apparaat) aan de ketenpartners (ZBO’s/RWT’s) die de overheid bij de uitvoering van het beleid inschakelt.

  9. Bijdrage aan medeoverheden: de financiële bijdrage aan de medeoverheden zoals provincies, gemeenten en waterschappen die de overheid bij de uitvoering van het beleid inschakelt, bijvoorbeeld de specifieke uitkeringen aan gemeenten en provincies.

  10. Bijdrage aan (inter)nationale organisaties: de financiële bijdrage aan (inter)nationale organisatie die de overheid bij de uitvoering van het beleid inschakelt en/of lidmaatschappen van (inter)nationale organisaties, bijvoorbeeld bijdragen aan de Europese Unie, VN, NGO’s.

  11. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken: de financiële bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken (inclusief begrotingsfondsen).

  12. Bijdrage aan sociale fondsen: de financiële bijdrage aan de fondsen waaruit uitkeringen en voorzieningen worden verstrekt krachtens sociale verzekeringswetten.